|
hulpmiddelenin andere talen
|
René DescartesRené Descartes (La Haye en Touraine, 31 maart 1596 – Stockholm, 11 februari 1650), gelatiniseerd Renatus Cartesius, was een Franse filosoof en wiskundige. Ook leverde hij bijdragen aan de natuurkunde en fysiologie. Descartes woonde en werkte 20 jaar in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, waar hij ook zijn belangrijkste werken schreef. Hij was de eerste die de filosofie van Aristoteles niet alleen verwierp, maar ook verving door een eigen levensvatbaar filosofisch systeem, waarmee hij de basis legde voor de 17de eeuwse stroming van het rationalisme. Hij wordt algemeen beschouwd als één van de twintig belangrijkste filosofen uit de geschiedenis van de mensheid. In de wiskunde legde hij de basis voor de analytische meetkunde, de brug tussen de algebra en de meetkunde.
[bewerk] Biografie[bewerk] JeugdDescartes werd geboren in La Haye en Touraine (nu Descartes) in Frankrijk. Hij was het derde kind van Joachim Descartes (2 december 1563 – 17 oktober 1640) en Jeanne Brochard (? – 13 mei 1597). Hij had een oudere zus Jeanne (over wie geen gegevens bekend zijn), een broer Pierre (19 oktober 1591 – 1660) en een halfzus Anne (1611 – ?) uit het tweede huwelijk (1600) van zijn vader met Anne Morin (2 september 1579 – 19 november 1634). Zijn vader was advocaat en magistraat in Rennes. De familie telde verder vooral artsen. Een jaar na zijn geboorte stierf zijn moeder en René sukkelde nogal met zijn gezondheid. Toen hij 8 jaar oud was, stuurde zijn vader hem naar het grote Jezuïetencollege van La Flèche voor een klassieke opleiding. Daar verbleef hij van 1606 tot 1614. Na vijf jaar vooral les in klassieke talen, volgde hij daarna in La Flèche lessen in wiskunde en Aristoteliaanse filosofie. Vanwege zijn slechte gezondheid liet de rector hem uitslapen tot hij zich fit genoeg voelde om de lessen bij te wonen. Deze gewoonte om lang te slapen heeft hij zijn hele leven gehouden. In 1614 en 1615 woonde Descartes in Saint-Germain-en-Laye bij Parijs, waar hij mogelijk leed aan zenuwaanvallen. Daarna studeerde hij van 1615 tot 1616 rechten en mogelijk medicijnen aan de universiteit van Poitiers. [bewerk] SoldaatIn 1618 vertrok hij naar Nederland, waar hij zich aansloot bij het leger van Prins Maurits bij Breda. Koning Henri IV had de Republiek gesteund tegen Spanje, dus dit was geen vreemde keus voor een avontuurlijke Fransman. Hij liet zich heer van Perron noemen, een klein leen dat hij in Poitou bezat. Hij komt in contact met de wiskunde van de vestingbouw, zoals die door Simon Stevin was ingevoerd. In Breda raakte hij bevriend met de oudere Isaac Beeckman, een Nederlandse filosoof en wiskundige, met wie hij verschillende jaren samenwerkte. In 1618 en 1619 werkten ze aan muziek, vrije val, de kettinglijn als kegelsnede en de hydrostatische paradox. Beeckman inspireerde Descartes en leerde hem hoe wis- en natuurkundige problemen vruchtbaar kunnen worden aangepakt. Descartes bleef soldaat: hij werd officier in het leger van hertog de Bucquoy in Bohemen ten tijde van de Dertigjarige oorlog. Hij hield contact met Beeckman en bleef aan wiskunde werken, vooral aan de mogelijkheden van de proportionaalpasser en varianten daarop, die hem tot zijn nieuwe algebra zouden voeren. Zijn belangrijkste reden om aan de oorlog deel te nemen was om de wereld en de mensen beter te leren kennen, schreef hij later in Discours de la Methode. In de nacht van 10 november 1619 kreeg hij te Ulm (Neuberg) drie belangrijke dromen. Uit deze dromen ontsproten zijn eerste ideeën voor een nieuwe filosofie en voor de analytische meetkunde. In 1620 nam hij ontslag bij het leger. [bewerk] Op reis door Europa en NederlandVan 1620 tot 1628 reisde Descartes door Europa. In Frankrijk kwam hij daarbij in contact met de wiskundige Marin Mersenne. In die tijd had hij ook contact met Kardinaal de Berulle, die hem aanmoedigde zijn ideeën voor een filosofie verder uit te werken die het systeem van Aristoteles kon vervangen. Vanaf 1628 vestigde hij zich weer in de Lage Landen, waar hij in verschillende steden woonde, waaronder Franeker, Harderwijk, Deventer, Utrecht, Leiden, Amersfoort, Amsterdam, Leeuwarden, Endegeest (kasteel in Oegstgeest), Santpoort en uiteindelijk voor langere tijd in Egmond Binnen [1]. In 1630 schreef hij zich in aan de Universiteit Leiden, Hij kwam in contact met de familie Huygens. Constantijn Huygens was toen een vooraanstaand diplomaat en literator. In oktober 1630 brak hij met Beeckman, die hij ten onrechte beschuldigde van plagiaat - het was eerder omgekeerd. Later legden ze het bij, maar de oude vriendschap keerde niet terug. Zomer 1635 gaf Descartes les in filosofie in Utrecht. Ook in 1635 kreeg hij in Amsterdam een dochter Francine bij het dienstmeisje Helène Jansdochter. In 1640 overleed Francine te Amersfoort. In 1639 kreeg Descartes het aan de stok met Gisbertus Voetius, een hoogleraar in Utrecht. In 1640 verbleef hij in Leiden in het pand Rapenburg 21. [bewerk] PublicatieHij maakte er een gewoonte van om zijn verblijfplaats alleen aan enkele vrienden bekend te maken. In Holland maakte hij diverse wetenschappelijke vrienden. Mede op aandringen van deze vrienden publiceerde hij er zijn Discours de la méthode, waarin hij de in die tijd nog altijd gangbare filosofie van Aristoteles en de scholastiek verwierp en volhield dat alle echte kennis op de wiskunde moet worden gebaseerd. Bovendien paste hij in La géometrie, een aanhangsel van het Discours, de algebra consequent toe op meetkundige vraagstukken, waarmee meetkundige objecten konden worden beschreven met getallen en vergelijkingen. Jan Lievens tekende zijn portret. [bewerk] Overlijden in Zweden
René Descartes (rechts) in gesprek met koningin Christina (met het zwarte haar links) door Pierre Louis Dumesnil (1698-1781). (Er is nog een andere versie van dit schilderij.)
In 1648 ging Descartes op verzoek van koningin Christina van Zweden naar Stockholm. Hij liep daar een longontsteking op waaraan hij in 1650 overleed, volgens tijdgenoten doordat hij niet gewend was aan het koude klimaat en aan het vroege opstaan waar de koningin hem toe dwong: zij wilde om vijf uur 's ochtends les van Descartes krijgen. Hij stierf er in het koninklijk paleis en werd, na korte tijd in Zweden begraven te zijn geweest, herbegraven in een tombe van het Panthéon te Parijs in 1667. [bewerk] FilosofieRené Descartes is vooral bekend om de cartesiaanse twijfel en zijn filosofisch systeem, de verbinding van algebra en meetkunde in de wiskunde en allerlei bijdragen aan de natuurkunde zoals de verklaring van de regenboog. De bekendste boeken zijn Discours de la méthode (1637, Verhandeling over de methode), Meditationes de prima philosophia (1641, Meditaties over de eerste filosofie) en Principia philosophiae (1644, Beginselen van de wijsbegeerte). [bewerk] Cogito ergo sumMet zijn stelling Cogito ergo sum (Ik denk, dus ik ben) neemt Descartes een dualistisch standpunt in: hij scheidt de geest van het lichaam. Hij stelt dat men aan letterlijk alles moet twijfelen. Echter moet het, zelfs in al deze twijfel, voor een ieder duidelijk zijn dat men twijfelt en dus dat men denkt; zo kwam hij uiteindelijk bij de stelling: "Cogito ergo sum"; men weet niet waar de geest zich bevindt, maar wel dát die zich ergens bevindt en dus dat de geest bestaat. In zijn filosofische onderzoekingen stuitte Descartes op de subjectiviteit van de menselijke waarneming. Wat is werkelijkheid, en wat is illusie? De menselijke waarneming bleek zo onbetrouwbaar te zijn, dat aan de werkelijkheid, zoals de mens die waarneemt, kan worden getwijfeld. Wat betwijfeld kan worden, moet worden afgewezen, want bewijsvoering moet plaatsvinden op basis van onbetwijfelbare argumenten. Waaraan volgens hem echter niet getwijfeld kon worden, was het feit dát hij twijfelde. "Cogito ergo sum" is een vaststelling waarover geen discussie mogelijk is. Vanuit deze grondslag bouwde Descartes God en het wereldbeeld op basis van onbetwijfelbare argumenten opnieuw op. Of hij in dat laatste slaagde, gaf aanleiding tot eeuwenlange filosofische discussies. Descartes' beroemde stelling komt voor in de Principia Philosophiae (eerste deel):
In de tweede Meditatie (artikel 3) zegt hij: "Ego sum, ergo existo" en in deel 4 van de Discours de la méthode staat de eveneens bekende frase "Je pense, donc je suis." [bewerk] Systematische twijfelVolgens Descartes moet men het schijnweten volledig uitbannen en is enkel een volledig zekere, deductieve wetenschap waar. Om tot dit resultaat te komen gebruikt hij een soort radicale, kunstmatige twijfel in drie fasen:
[bewerk] De drie zekerhedenOm rationaliteit te funderen poneerde Descartes drie zekerheden: De eerste zekerheid is die van de twijfel. Door dingen in vraag te stellen ontstaat er twijfel. Wanneer deze twijfel echter opnieuw in vraag gesteld wordt, wordt het feit herbevestigd dát ik twijfel. Op deze manier ontstaat er een zekerheid, namelijk die van het bestaan van de twijfel, de activiteit van het denken in zijn puurste vorm. Het denken (het cogito) bevestigt de aanwezigheid van deze denkactiviteit (het zijn). Ik denk, dus ik ben. Met deze eerste zekerheid bewees Descartes het bestaan van het denken als substantie. Om zijn fundering van de rationaliteit verder te zetten voerde hij het dualisme in. In het dualisme onderscheidde hij twee polen. De eerste pool is die van het denken of de res cogitans(zoals in die in de eerste zekerheid is bewezen). Daarnaast bestaat er een tweede pool, een nog te bewijzen buitenwereld of res extensa, die alles buiten het denken omvat. Het denken en de buitenwereld lijken op het eerste zicht dus twee volledig gesloten, geïsoleerde substanties. Descartes trachtte vervolgens een brug te slaan tussen deze twee polen. De tweede zekerheid was die van het bestaan van God. Met de eerste zekerheid, die van het denken, ontstaat de notie idee. Het denken "is", omdat het een zuiver, logisch en distinct idee is. Elke idee die aan deze voorwaarden voldoet, moet volgens Descartes dus waar zijn. Om door het denken te komen tot zuivere ideeën over de buitenwereld, moet zekerheid worden geschapen over de juistheid en zuiverheid van denken en ideeën. Dat wat deze zuiverheid waarborgt, is volgens Descartes God. God is het volmaakte dat de Malin Génie (de stoorzender in ons denken) uitschakelt. Om het bestaan van deze God aan te tonen, steunde Descartes op twee godsbewijzen(a posteriori en a priori). Het eerste bewijs (a posteriori) maakt gebruik van de causaliteit en de idee van oneindigheid. Aangezien het denken gesloten en dus eindig is, kan de idee van oneindigheid volgens Descartes niet uit iemand zelf komen. De oneindigheid moet een oorsprong hebben buiten het denken. Deze oorsprong zou God zijn. Het tweede bewijs (a priori) stelt dat de idee van de oneindigheid ook het bestaan van de volmaakte oneindigheid impliceert. Deze volmaakte oneindigheid vormt, volgens Descartes, de tweede substantie naast het denken, namelijk God. De derde zekerheid is die van het bestaan van de buitenwereld. In het denken worden zintuiglijke prikkels waargenomen die voorstellingen doen ontstaan. De vraag is nu of deze voorstellingen werkelijk zijn en zijn zoals ze zich voordoen. Het bestaan van een God kan het wantrouwen ten opzichte van deze waarnemingen ontkrachten. Er zijn slechts twee substanties (cogito en God) waarin deze waarnemingen hun oorsprong kunnen vinden. Het denken is één mogelijkheid. Een wereld van waarnemingen zou gecreëerd kunnen worden door samenhangende ideeën te construeren. Het probleem is hier echter dat zintuiglijke waarnemingen de wil overstijgen en deze niet door het denken bestuurd kunnen worden. Ze komen ongecontroleerd op ons af. Een tweede mogelijkheid is dat ze van God afkomstig zijn. Maar dit zou dan weer niet passen in het beeld van God die de Malin Génie uitschakelt en het denken zuiver houdt. Als God het zuiver volmaakte nastreeft, waarom zou hij zich dan bezig houden met het creëren van waanvoorstellingen? Er moet dus een derde substantie bestaan (de buitenwereld) die zintuiglijke voorstellingen in ons denken veroorzaakt. Met deze drie zekerheden concludeerde Descartes dat de werkelijkheid bestaat uit voorstellingen in het denken. Door het bestaan van een God, die de Malin Génie uitschakelt, stelde hij dat deze werkelijkheid zich voordoet zoals hij is. Hiermee plaatste Descartes de zuivere idee van de ratio centraal in het begrip van de werkelijkheid. [bewerk] BegrippenAls rationalist onderscheidde de filosoof Descartes drie soorten begrippen:
Als dualist onderscheidde hij geest of ziel of God (res cogitans) en materie (res extensa). In zijn eigen woorden:
Deze laatste zijn bij hem substanties terwijl die andere (materiële, wereldlijke) dingen die hierdoor gekenmerkt zijn doordat ze plaats innemen, attributen van de substanties worden genoemd. Descartes gebruikt hierbij het klassieke en scholastieke begrip substantie, dat niet verward mag worden met het hedendaagse begrip, dat bijna synoniem is met materie. René Descartes werd waarschijnlijk beïnvloed door het werk van Francisco Sanches, die in zijn belangrijkste werk Quod nihil scitur (1581) twijfel als uitgangspunt nam. [bewerk] Principia PhilosophiaeIn 1644 poogde hij in zijn boek Principia Philosophiae (De Beginselen van de Filosofie) het complete universum te beschrijven vanuit een volledig wiskundig opgebouwde mechanica. Zijn gedachten over de werking van het heelal vonden veel weerklank, maar werden jaren later met name door Isaac Newton weerlegd. [bewerk] WiskundeRené Descartes heeft op vele manieren belangrijke bijdragen geleverd aan de wiskunde:
[bewerk] Natuurkunde
[bewerk] Fysiologie
[bewerk] MisverstandDescartes voerde niet het naar hem genoemde Cartesisch of rechthoekig assenstelsel in (zie onder meer boeken van Struik). Zijn meetkundeboek La Géometrie gebruikt ze niet. Wel ontstond later onder de invloed van Descartes de analytische meetkunde. [bewerk] Publicaties
[bewerk] Trivia
[bewerk] Vernoemd
[bewerk] Externe links[bewerk] Primaire bronnen[bewerk] Vertalingen
[bewerk] Biografie
|