|
hulpmiddelen |
Harry Mulisch
Harry Kurt Victor Mulisch (Haarlem, 29 juli 1927) geldt als een van de voornaamste naoorlogse Nederlandse schrijvers. Hij wordt gerekend tot 'De Grote Drie' waartoe ook Willem Frederik Hermans en Gerard Reve behoren.
[bewerk] Leven[bewerk] Geboorte en kinderjarenMulisch' vader Kurt Victor Karl Mulisch werd op 10 juli 1892 geboren in Gablonz an der Neiße in het toenmalige Oostenrijk-Hongarije (nu Jablonec nad Nisou in Tsjechië). In de Eerste Wereldoorlog was hij commandant van een batterij zware bereden veldartillerie aan het Russische, Italiaanse en Franse front. Na de oorlog emigreerde hij naar Nederland. Mulisch' moeder Alice Schwarz zag op 16 maart 1908 te Antwerpen het levenslicht als dochter van een joodse bankier uit Frankfurt am Main. Door hun vriendschappelijke contacten met Duitse officieren vluchtte het gezin Schwarz van Vlaanderen naar Nederland. Aldaar ontmoetten Karl Mulisch en Alice elkaar via haar vader, die de oorlogsveteraan aan een baan hielp. Naar aanleiding van deze samenloop van omstandigheden zou Mulisch later concluderen dat hij zijn bestaan te danken had aan de Eerste Wereldoorlog. In april 1926 trouwden Karl Mulisch en Alice Schwarz in Amsterdam en uit het huwelijk werd op 29 juli 1927 hun enige zoon Harry Kurt Victor Mulisch geboren in het Westhoutpark 16 te Haarlem, waar de familie Mulisch zich had gevestigd. Mulisch werd grotendeels opgevoed door de huishoudster, Frieda Falk, die in 1891 geboren werd in Posen, in het huidige Polen. Met haar reisde de vierjarige Harry, die gedeeltelijk in het Nederlands en in het Duits werd opgevoed, in het najaar van 1931 naar Berlijn en verdwaalde in het labyrint van de Tiergarten. Naar eigen zeggen zouden dit de plaats en het moment geweest zijn waarop de voorwaarden voor zijn schrijverschap tot stand kwamen. Mulisch leerde schrijven op een particulier instituut in Haarlem, dat hij bezocht tussen 1933 en 1939. In deze jaren schreef Harry al zijn eerste verhaal, De pottebakker, een verhaal over een komisch voorval op school. In 1936, toen Mulisch negen jaar was, scheidden zijn ouders. Zijn moeder verhuisde naar Amsterdam (en zou in 1951 naar Californië emigreren), terwijl Harry bij zijn vader, K.V.K. zoals hij hem later in zijn geschriften vaak noemde, in Haarlem bleef. Zijn vader werd na de vrolijke jaren twintig zwaarmoedig. Bovendien daalde zijn inkomen waardoor de afgeslankte familie een aantal keren verhuisde naar kleinere woningen. In de jaren dertig kreeg Mulisch grenzeloze interesse in de chemie, die was gewekt door het jongensboek De ongelooflijke avonturen van Bram Vingerling (1927) van Leonard Roggeveen. Later besefte Mulisch dat Bram Vingerling in feite de alchemie beoefende, een van de belangrijkste thema's uit zijn oeuvre. [bewerk] Tweede Wereldoorlog en revelatie van een jonge schrijverMet de kreet 'Krieg, Krieg! Herr Mulisch! Es ist Krieg! Die Deutschen sind da!', uitgeschreeuwd door de Poolse opvoeder Frieda, begon voor de twaalfjarige Harry de Tweede Wereldoorlog. In de oorlogsjaren was Mulisch’ vader in opdracht van de nazi's directeur personeelszaken van Lippman-Rosenthal & Co. Dit bankiershuis had de taak geconfisqueerde joodse bezittingen, zoals tegoeden, effecten en andere kostbaarheden te 'beheren'. Dankzij de samenwerking met de nazi's was K.V.K. in staat zijn joodse ex-vrouw en zijn joodse zoon uit Duitse handen te houden. Harry's groot- en overgrootmoeder van moeders kant zijn in 1943 naar concentratiekampen weggevoerd. Doordat Mulisch enerzijds de zoon was van een collaborateur en anderzijds een kind van een joods slachtoffer leefde hij in een merkwaardige positie. Deze omstandigheden leverden stof op voor een groot deel van zijn werk. Het heeft hem duidelijk gemaakt hoe ingewikkeld dingen als ‘goed’, ‘kwaad’ en ‘schuld’ liggen. Dit is waar zijn werk vooral over gaat. Een gevleugelde uitspraak van hem is: "Ik heb de oorlog niet zo zeer 'meegemaakt', ik ben de Tweede Wereldoorlog." Na de bevrijding zou vader Mulisch worden opgepakt wegens collaboratie. In 1941 verhuisde Mulisch met zijn vader en Frieda naar de Anna van Burenlaan. Mulisch verklaarde het belang van dit huis in zijn leven: "In dat huis is het allemaal gebeurd. Daar beleefde ik de oorlog. Daar schreef ik mijn eerste verhalen en romans. Daar ging ik voor het eerst met een meisje naar bed." Na vier jaar Eerste Christelijk Lyceum van Haarlem bleef hij weg van school. Directe aanleiding was het zakken voor een herexamen, de dag na 5 september 1944 (Dolle Dinsdag), waarna Mulisch een autodidact pur sang werd. Aanvankelijk produceerde Mulisch in zijn kamertje chemische boeken die voor iedereen toegankelijk moesten zijn. Maar ondanks zijn zelfverklaarde afkeer van literatuur werd Mulisch wel degelijk beïnvloed door bepaalde schrijvers. Edgar Allan Poe was de eerste invloed op de jonge Mulisch, wat blijkt uit zijn eerste probeersels. Van Thomas Mann leerde hij de discipline om elk woord, iedere zin af te wegen, terwijl hij tegelijkertijd diep onder de indruk raakte van de overvloedige stijl van Dostojewski. Jorge Luis Borges was in de jaren zestig de laatste auteur die hem genoeg kon boeien om diens oeuvre te verslinden. Verder heeft hij naar eigen zeggen nooit veel literatuur gelezen, enkel het hoogst noodzakelijke om op de hoogte te blijven van collega-schrijvers. Hij zegt dan ook van zichzelf: ‘Ik ben een schrijver, geen lezer’. Mulisch' volgende teken van zijn schrijverstalent was het verhaal De kamer. Het werd op 8 februari 1947 gepubliceerd in Elseviers Weekblad. Het verhaal gaat over iemand die in zijn jonge jaren verwonderd was over een kamer. Hij kan de bekoring niet verklaren, totdat hij veertig jaar later terugkeert en de kamer bewoont. Dan komt hij erachter waarom deze kamer hem fascineerde: het blijkt zijn sterfkamer te zijn. De jonge Mulisch hield zich eind jaren veertig bezig met occultisme, spiritisme en het toneel. Hij sloot zich aan bij het Amsterdamse Reis-Opera-Gezelschap en trok met een operette voor arbeiders door de polder. Inmiddels was hij in 1949 begonnen aan zijn eerste volwassen roman. Pas na twee jaar intensief schrijven zou hij zijn debuut, archibald strohalm, afronden. [bewerk] Oeuvre[bewerk] Jaren vijftig (1952-1959)Omdat hij het verhaal De kamer (1947) kwalitatief onder de maat vond, besloot Mulisch retrospectief zijn literaire carrière te beginnen met een roman waaraan hij twee jaar werkte: archibald strohalm (1952), een boek waarin het mythisch-magische element een belangrijke rol speelt. Hij won er de Reina Prinsen Geerligsprijs mee, een prestigieuze onderscheiding die enkele jaren voordien Gerard van het Reve ten deel was gevallen met De Avonden. Archibald strohalm zette meteen de toon voor de eerste periode van Mulisch’ schrijverschap. In de jaren 1952 tot 1959 overheerste een sterk mythische invloed. Gewoonlijk laat Mulisch zijn proza beginnen met een tafereel uit het alledaagse leven dat, naarmate het verhaal vordert, uitmondt in wonderbaarlijke en bovennatuurlijke motieven waarin niet zelden de alchemie een belangrijke rol speelt. Mulisch plaatste zichzelf met zijn ‘abstract realisme’ in een uitzonderlijke positie in de Nederlandse literatuur, waarin het realisme sterk overheerste. Na de Mulisch-God-associatie in de verhalenbundel Chantage op het leven (1953), de roman De diamant (1954), een lineair verhaal over de geschiedenis van een diamant door de eeuwen heen, en de absurde verhalen over meneer Tiennoppen in Het mirakel (1955), schreef hij in 1956 Het zwarte licht. Deze 'kleine roman' handelt over Maurits Akelei, een stadsbeiaardier, die zijn zesenveertigste verjaardag viert, maar grotendeels 23 jaar terug in de tijd leeft, toen zijn vriendin, Marjolein, overspel pleegde. Zijn leven verging op die dag figuurlijk zoals op de dag van handelen, 20 augustus 1953, de apocalyps verkondigd wordt. Het mythische aspect wordt tot uiting gebracht in het laatste hoofdstuk, waarin Akelei de wereld zichtbaar ten onder ziet gaan. De verhalenbundel De versierde mens (1957) bevat eveneens een aantal magische verhalen. In 1959 sloot Mulisch de eerste periode af met het gewichtige Het stenen bruidsbed. Deze roman handelt over het bombardement op Dresden in februari 1945. Norman Corinth, boordschutter in één van de bommenwerpers is dertien jaar later terug in Dresden en wordt geconfronteerd met zijn verrichtingen in de oorlog. Mulisch’ idee achter het verhaal is de eeuwigheid van de oorlog en het fenomeen de oorlogsmisdadiger. De auteur toont de synchronie tussen de Tweede Wereldoorlog en de Trojaanse Oorlogen; Corinth tilt hij naast Attila de Hun, Gengis Khan en Hitler. Het schakelen van verschillende tijdsniveaus aan elkaar is kenmerkend voor Mulisch' filosofie over de tijd. De schrijver probeert in bijna al zijn boeken de tijd stil te zetten. Naast de tijdsdimensie filosofeerde de auteur in Het stenen bruidsbed over het verschil tussen de geschiedenis en de anti-geschiedenis. De compositie van de roman is gedeeltelijk gebaseerd op de Ilias van Homeros. [bewerk] Jaren zestig (1959-1972)Het stenen bruidsbed markeerde het begin van de tweede periode die globaal parallel loopt met de jaren zestig. De roman vormt het scharnier tussen de mythische verhalen van de jaren vijftig en het engagement van de jaren zestig. De gebeurtenissen uit de jaren zestig worden in deze periode voornamelijk beschreven in studies en tijdsgeschiedenissen. Mulisch’ verklaring voor deze koerswijziging ziet hij in de dreigende atoomoorlog: "Het is oorlog. En in oorlogstijd moet men zich niet bezig houden met het schrijven van romans. Dan zijn er echt wel belangrijker dingen te doen." Eigenlijk verschool de schrijver zich achter een writer's block. Hij werkte aan een aantal romans, maar wist deze niet te voltooien. Na het toneelstuk De knop (1960), over de ondergang van de wereld door de atoombom, schreef hij in 1961 Voer voor psychologen, een bundeling die door zijn autobiografische en exhibitionistische karakter als een sleutelboek in zijn oeuvre wordt beschouwd. Een jaar later kwam De zaak 40/61 uit. Deze reportage werd samengesteld uit zijn artikelen voor Elseviers Weekblad over het proces tegen de ex-nazi Adolf Eichmann in Jeruzalem. Daarnaast heeft Mulisch voor deze studie reizen ondernomen naar Auschwitz, Berlijn en Israël. Met deze studiereizen legde hij in dit 'verslag van een ervaring' de nadruk op de achtergronden waardoor hij dichter bij de wortels van het kwaad kwam. Zelfs in dit sobere, haast journalistieke boek is de schrijver in staat het incidentele binnen een bijna mythisch historisch kader te plaatsen. Eichmann had een destructieve invloed op het schrijverschap van Mulisch, wat resulteerde in een impasse. De ideeën waren er wel, maar de auteur wist ze niet in een vorm te gieten. Hij zocht zijn heil in non-fictieve, geëngageerde boeken. Pas vier jaar na De zaak 40/61, verscheen Bericht aan de rattenkoning (1966), een boek over de rellen van Provo in Amsterdam en de reacties van wat Mulisch bestempelde als het ‘regentendom’. Hij presenteerde het boek niet enkel als een verslag over de gebeurtenissen, maar ook als een onderdeel daarvan. Zijn linkse sympathieën gingen nog een stuk verder in Het woord bij de daad (1968). In dit boek, gebaseerd op zijn ervaringen in Cuba, waar hij ook Fidel Castro ontmoette, bestudeert de schrijver de revolutionaire maatschappij en het mechanisme van de guerrillastrijd op het revolutionaire Cuba. Mulisch verkeert dan in marxistisch vaarwater. De opera Reconstructie (1969), waarvan hij het libretto in samenwerking met Hugo Claus schreef, ging over Che Guevara. De verteller uit 1970 was de eerste roman sinds 1959, maar lijkt meer op een kluwen van hermetische teksten. Het onbegrepen verhaal kreeg dan ook vernietigende kritieken. De auteur was ontstemd en verklaarde een en ander in De verteller verteld, waarin hij tevens de ontstaansgeschiedenis uit de doeken deed, daarbij refererend aan Goethes Urfaust. Het boek verschaft daarnaast inzicht in de redenen waarom zoveel andere romans in het voorbije decennium mislukt waren. Ook in 1971 schreef Mulisch De affaire Padilla, een nawoord over de revolutie op Cuba. In De toekomst van gisteren uit 1972 blikte hij terug op de culturele revolutie van de jaren zestig. Naast een verklaring over de mislukte roman De Verteller, bevat het boek een overzicht van de Koude Oorlog, een verslag van een bezoek aan de ex-nazi Albert Speer en een verslag over zijn ervaring in Parijs in mei 1968 waarin Mulisch het optimisme en de doeltreffendheid van de manifestaties en opstanden uit de jaren zestig relativeert. [bewerk] Jaren zeventig (1972-1982)Met De toekomst van gisteren sloot hij de tweede periode (1959-1972) af. Het engagement met de wereldpolitiek nam in de maatschappij gestaag af en leek te stranden in de restauratie van de jaren zeventig. Ook in Mulisch' oeuvre was deze tendens aanwijsbaar. Met een lagere frequentie zagen essays het levenslicht, terwijl hij zich juist meer ging wijden aan poëzie (vanaf 1973, een nieuwe dimensie in zijn oeuvre), verhalen (vanaf 1976) en toneelstukken, en bovendien manifesteerde de filosofische en psychologische Mulisch zich als nooit tevoren. Ingetogener dan in de jaren vijftig greep hij terug naar de mythologie. Vooral zijn interpretatie van de Oedipus-mythe is rijkelijk verwerkt in zijn theaterstukken (Oidipous Oidipous, 1972), studies (Het seksuele bolwerk, 1973), poëzie (De wijn is drinkbaar dankzij het glas, 1976), verhalen (Oude lucht, 1977) en in de succesvolle roman Twee vrouwen uit 1975. Dit laatste boek bevat onder de schijnbaar doorzichtige oppervlakte van het verhaal over een lesbische verhouding een mythologische ondergrond door de verwerking van de Orpheus-mythe. In vergelijking met de romans uit de jaren vijftig en De verteller uit 1970 houdt Mulisch zijn verhaal stilistisch in toom. Deze tendens zal voortgezet worden in de romans uit de jaren tachtig en negentig. Daartegenover is zijn filosofisch magnum opus De compositie van de wereld uit 1980, grondtoon van geheel zijn samenhangend oeuvre, ondanks de zakelijke toon en ondanks de vele heldere voorbeelden en illustraties bij deze denkconstructie, voor velen moeilijk te doorgronden. [bewerk] Jaren tachtig en negentig (1982-heden)Als er een vierde periode kan worden aangeduid in het oeuvre van Mulisch dan begint die met Mulisch’ bekendste boek De aanslag uit september 1982, dat in 1986 verfilmd zou worden. Hoewel de jaren zeventig (1972-1982) en de decennia daarna (1982-heden) inhoudelijk overeenkomstig zijn, kan er een onderscheid gemaakt op twee vlakken. Enerzijds genoot de auteur sindsdien een bijna goddelijke status die hij verkreeg door het eclatante commerciële succes van enkele van zijn boeken in het buitenland. Zijn boeken konden altijd al op gretige aftrek rekenen (met uitzondering van De compositie van de wereld, maar de aantallen die in zeer korte tijd van De aanslag en De ontdekking van de hemel verkocht werden overtroffen alle verwachtingen. Een ander verschil is de stilistische helderheid. Het lijkt alsof de schrijver na dertig jaar de ultieme vorm heeft gevonden en zijn schrijverschap naar een nieuw hoogtepunt stuwt. Eén van de voornaamste Mulisch-onderzoekers, Frans de Rover, stelt vast: "Met De aanslag en Hoogste tijd staat Mulisch op het toppunt van zijn schrijfkunst: literair lijkt hij alles te kunnen; nationale en internationale waardering vallen hem ten deel. Tegen de achtergrond van die comfortabele kunstenaarspositie ontstaat het werk na 1982, dat in veel opzichten 'virtuositeit' uitstraalt: Mulisch speelt een geraffineerd spel met zichzelf en met zijn oeuvre." Voor het eerst werd Mulisch door critici op handen gedragen. De aanslag is de eerste Nederlandse bestseller waarvan wereldwijd meer dan een miljoen exemplaren zijn verkocht. Het boek gaat over de represailles op een Haarlemse familie naar aanleiding van een aanslag op een collaborateur. De jongste zoon, Anton Steenwijk, overleeft de catastrofe als enige en in de loop van zijn leven tracht hij via ontmoetingen met betrokkenen van de aanslag de ware toedracht te achterhalen. Het verhaal is opgedeeld in vijf episoden: januari 1945, wanneer de aanslag zich voordoet, 1952: de Korea-oorlog, 1956: Hongarije, 1966: Provo en Vietnam, en 1981: de demonstraties tegen atoombommen. Per episode komt Anton steeds dichter bij de ware toedracht van de misdaad. Naast een aantal essays en lezingen, schreef Mulisch scheppend proza, zoals Hoogste tijd (1985), over de ondergang van een oude toneelspeler, De pupil (1987), De elementen (1988) en het fantastische verhaal Het beeld en de klok (1989). In 1992 verscheen zijn 901 bladzijden en 65 hoofdstukken tellende opus magnum: De ontdekking van de hemel. Mulisch manifesteerde zich in dit verhaal als ‘de meester’, god-gelijk. Hij laat het verhaal door engelen vertellen. Het is een roman waarin alle mythologische en filosofische registers worden opengetrokken. De vriendschap tussen Onno Quist en Max Delius is de voorbode van de geboorte van Quinten, die (in 1985) de uitverkorene is tot een goddelijke opdracht. Die goddelijke opdracht is een waarschuwing tegen de verworden maatschappij. In 1996 verscheen een boekje met een facsimile van de eerste versie van De aanslag, dat de titel De oer-aanslag meekreeg. In de herfst van 1998 zag de roman De procedure het levenslicht. Het is de ultieme prestatie, leven te kunnen construeren, die Mulisch hier fascineert. Victor Werker construeert met DNA knipsels de Eobiont. De roman is ingewikkeld opgebouwd, alles hangt met alles samen, zoals alle levensvormen op onze aarde verstrengeld zijn. Naar aanleiding van de Boekenweek schreef Mulisch in 2000 het boekenweekgeschenk, Het theater, de brief en de waarheid. Deze novelle, over de affaire-Jules Croiset, werd in een recordoplage van 760.000 exemplaren uitgegeven en speciaal voor de Boekenweek ging de auteur op tournee door Nederland. Dat de oorlog na meer dan vijftig jaar schrijverschap nog steeds een inspiratiebron was bewees Siegfried (2001), een roman waarin Mulisch pretendeert met de zoon van Hitler de nazi-leider te doorgronden. Zoals in zijn hele oeuvre doet hij hierbij een beroep op filosofische en mythologische motieven. In januari 2006 ontstond enige commotie door een pamflet van de journalist Dick Verkijk, waarin deze beweerde dat Mulisch in de Tweede Wereldoorlog lid was van de NSB-organisatie Jeugdstorm. Mulisch ontkende dit bericht in de Volkskrant met onder andere de woorden "als het waar was, had ik er wel een prachtige roman over geschreven", terwijl Verkijk beweerde twee onafhankelijke getuigen te hebben gehoord die Mulisch in het NSB-uniform hadden gezien. Aangezien lidmaatschap van de Jeugdstorm geïnitieerd wordt door de ouders van de jonge leden, is het eigenlijk geen aanklacht tegen Mulisch maar tegen zijn vader. Het pamflet van Verkijk verscheen in februari 2006. [bewerk] SchrijverschapEen constante factor in Mulisch' literaire activiteiten en uitspraken over zichzelf is zijn gebrek aan zelfrelativering. Zelf zegt hij (onder meer in Over de verbeelding, zijn dankwoord bij het ontvangen van de P.C. Hooftprijs) dat dit een houding is van tot het extreme opgedreven zelfironie. Hij spreekt daarin van
Dat Mulisch zich nu al tientallen jaren deze ironische houding aanmeet, wordt niet door iedereen als geloofwaardig beschouwd. Daarbij wordt wel gewezen op Mulisch' eigen pamflet Het ironische van de ironie (1976) waarin hij racistische passages in het werk van Gerard Reve bekritiseert. Volgens Mulisch waren deze wellicht ironisch bedoeld, maar werd deze ironie zo lang volgehouden dat ze eenvoudigweg Reves feitelijke mening werden: 'Dat is het ironische van de ironie, dat zij het plotseling niet meer is.' Als dat waar is, gaat dat ook op voor Mulisch' eigen zelfironie, aldus zijn critici. Wat hieraan bijdraagt, is dat Mulisch in sommige gevallen in is gegaan op kritiek op zijn schrijverschap. Zo reageerde hij hoogst geïrriteerd op een essay van Gerrit Komrij, getiteld Waarom Harry Mulisch geen echt groot schrijver is. Bij een andere gelegenheid wijt hij het gegniffel over zijn pretenties aan een Nederlands gebrek aan vermogen tot bewonderen, dat bijvoorbeeld in Amerika, Italië en Duitsland wel aanwezig zou zijn[1]. Anderen wijzen erop dat verschillende onbescheiden uitspraken zo bombastisch zijn, dat ze alleen maar ironisch bedoeld kunnen zijn, zoals: 'Ik ben een groot schrijver, daar helpt geen moedertje lief aan.' Een ander voorbeeld is de achterkant van de roman De pupil. Hierop staat een foto afgebeeld van Harry Mulisch met op de achtergrond de Vesuvius. Het onderschrift van de foto luidt: 'Van links naar rechts: de Vesuvius, Harry Mulisch'. Het werk van Mulisch heeft vaak een metafysisch karakter. Hij wordt geprezen om zijn romancompositie. Vaak zijn er binnen zijn romans verschillende verhaallijnen te trekken. Mulisch ziet schrijven als een magisch proces. De werkelijkheid is volgens hem geen toevallig gegeven: er is een verborgen samenhang. Toeval bestaat niet, alles heeft een diepere betekenis: de geschiedenis is een wetmatig proces. De taak van de schrijver is om de diepere betekenis van de werkelijkheid zichtbaar te maken. Dat kan volgens Mulisch door mythen en symbolen in de werkelijkheid te herkennen. De grote verhalen van de mensheid verbeelden de diepere betekenis van de werkelijkheid, het levensraadsel. Mulisch laat zijn werk aansluiten op die grote verhalen. De schrijver verandert in het schrijfproces (op magische wijze) de werkelijkheid zodanig, dat in de gebeurtenissen het bovenpersoonlijke zichtbaar wordt, waardoor ze tot mythe worden verheven. Deze literatuuropvatting noemen we magisch-mythisch. [bewerk] Redacteurschap, prijzen, vertalingen en verfilmingenMulisch was naast zijn schrijverschap actief als redacteur van Podium (1958-1962), van Randstad (1961-1969) en van De Gids (1965-1990). Sinds 1962 is hij bestuurslid van De Bezige Bij, de uitgeverij waar hij vanaf zijn eerste publicaties actief is. De belangrijkste prijzen die Mulisch mocht ontvangen waren onder andere: de Reina Prinsen Geerligsprijs (1951, voor archibald strohalm), de Bijenkorf Literatuurprijs (1957, voor Het Zwarte Licht), de Vijverbergprijs (1963, voor De Zaak 40/61), Constantijn Huygensprijs (1977, voor het hele oeuvre), de P.C. Hooftprijs (1977, voor het hele oeuvre). De Aanslag werd in 1986 door middelbare scholieren bekroond als het best gewaardeerde boek. De gemeente Amsterdam kende in 1993 de Multatuliprijs toe aan De Ontdekking van de Hemel. In 1995 viel hem de Prijs der Nederlandse Letteren ten deel. De recentste prijs was de Libris Literatuurprijs 1999 voor De Procedure. Met enige regelmaat wordt Mulisch getipt als mogelijk winnaar van de Nobelprijs voor de literatuur. In 1977 werd Mulisch benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. In 1992 werd hij bevorderd tot Officier. Ter gelegenheid van zijn 70e verjaardag werd in hij 1997 benoemd tot Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw. In 2002 ontving hij het Duitse Bundesverdienstkreuz eerste klasse, omdat zijn literaire werk de banden tussen Nederland en Duitsland bevordert. Hij ontving op 8 januari 2007 een eredoctoraat aan de Universiteit van Amsterdam bij gelegenheid van de 375ste dies natalis van deze Amsterdamse universiteit. In oktober 2006 werd de planetoïde (10251) Mulisch naar hem genoemd. De auteur reageerde met "Nu ben ik in de hemel" en zei zich gevleid te voelen, met het argument dat zelfs Nobelprijswinnaars vergeten worden, maar hemellichamen niet. De planetoïde draait om de zon in een baan tussen Mars en Jupiter. Mulisch heeft de meeste vertalingen uit de geschiedenis van de Nederlandse literatuur op zijn naam staan. In meer dan dertig talen zijn zijn boeken te koop, zoals onder meer in de grote reguliere talen als het Duits, het Engels, het Spaans, het Frans; en in minder voor de hand liggende talen als het Bahasa Indonesia, het Hebreeuws, het IJslands, het Servo-Kroatisch, het Fins, het Russisch, het Albanees, het Chinees, het Esperanto (Twee Vrouwen) en het Afrikaans. De belangrijkste verfilmingen van zijn boeken zijn die van Twee vrouwen (de Engelstalige film Twice a woman in 1981), De Aanslag (1986) van Fons Rademakers, bekroond met een Golden Globe en een Oscar, Hoogste tijd (1994) van Frans Weisz en De ontdekking van de hemel (de Engelstalige film The Discovery of Heaven in 2001) van Jeroen Krabbé. [bewerk] Bibliografie[bewerk] Referenties
[bewerk] TriviaIn het boek Tjeempie! of Liesje in Luiletterland 1968 van Remco Campert wordt Harry Mulisch afgebeeld als een schrijver met de naam Best Gekapte Schrijver van Nederland. Het is duidelijk dat het om Harry Mulisch gaat omdat deze in 1965 uitgeroepen was tot best geklede schrijver van Nederland en doordat het personage vrienden heeft die alleen over bekende nazi's praten, hij een revolutie aan het plannen is en omdat hij overdreven filosofisch praat over en tijdens de seks. Er hangen aan de muur van de kamer van de schrijver twee portretten, een van tijdens het schrijven, een van na het schrijven. In de geïllustreerde versie van Tjeempie wordt er gesuggereerd dat de schrijver zich tijdens het schrijven aan het aftrekken is, en dat hij na het schrijven hiermee klaar is. Dit benadrukt de ijdelheid van de schrijver (het feit dat er twee van deze portretten van hemzelf hangen in z'n kamer) alsmede hoe hij over het schrijven denkt. (Zie o.a. Voer voor psychologen voor zijn ideeën over de daad van het schrijven.) [bewerk] Prijzen
[bewerk] Externe links
|
|||||||||||||||||||