Ástor Piazzolla

Astor Piazzolla met zijn bandoneon ( 1971).
Astor Piazzolla met zijn bandoneon ( 1971).

Ástor Piazzolla (Mar del Plata, 11 maart 1921 - Buenos Aires, 4 juli 1992) was een Argentijns tanguero (tangomuzikant), bandoneonist en componist. Zijn nieuwe tangobenadering zorgde voor een vernieuwing van de Tango. Piazzolla was een controversiële figuur op muzikaal en politiek vlak.

Zijn bekendste werk is Adiós Nonino. Hierover wordt gezegd dat hij telefoon kreeg in de VS, dat zijn vader was overleden. Piazzolla zou zich toen op zijn kamer hebben teruggetrokken en al improviserend op zijn piano dit lied hebben gecomponeerd. "Adiós Nonino" betekent "Vaarwel opaatje".

Inhoud

[bewerk] Biografie

[bewerk] Opleiding

Ástor Pantaleon Piazzolla werd op 11 maart 1921 geboren in de kustplaats Mar del Plata, Argentinië. Hij was enig kind van Vicente Piazzolla en Asunta Mainetti. In 1925 verhuisde de familie naar New York, waar zij woonden tot 1936.

In 1929, toen Piazzolla 8 jaar oud was, gaf zijn vader hem zijn eerste bandoneon. Hij studeerde een jaar bandoneon bij Andres D’Aquila, met wie hij zijn eerste opname maakte, Marionette Spagnol.

In 1933 studeerde hij bij de Hongaarse pianist Bela Wilda, leerling van Sergej Rachmaninoff, over wie Piazzolla later zei: “Bij hem leerde ik Bach waarderen”. Kort daarna ontmoette hij de beroemde tangozanger Carlos Gardel, die later een goede vriend van de familie werd. Piazzolla kreeg een rol als krantenjongen in de film “El Dia Que me Quieras”, waarin Carlos Gardel de hoofdrol had.

In 1936 keerde Piazzolla terug naar Mar Del Plata, waar hij in een aantal tango-orkesten meespeelde. Daar hoorde hij Elvino Vardaro’s sextet op de radio. Vardaro werd later Piazzolla's violist. De orginele manier waarop Vardaro de Tango benaderde, raakte Piazzolla en Piazzolla werd een bewonderaar van Vardaro. Daarop besloot Piazzolla, die toen 17 jaar was, naar Buenos Aires te verhuizen.

In Buenos Aires speelde hij bij een aantal tweederangs tango-orkesten tot 1939, toen hij zich realiseerde dat hij eigenlijk bij het orkest Aníbal Troilo y su Orquesta Típica wilde spelen. Dit orkest was een van de grootste tango-orkesten van die tijd en Troilo werd gezien als misschien wel de beste bandoneonspeler.

Om een hoger muzikaal niveau te bereiken nam Piazzolla in 1941 les bij Alberto Ginastera. Later, in 1943, studeerde hij piano bij Raul Spivak. In 1942 trouwde hij met Dede Wolff en kreeg hij twee kinderen, Diana en Daniel. Het orkest van Troilo speelde de werken van Piazzolla, maar moest ze grondig arrangeren om ze dansbaar te maken, aangezien men Piazzolla's muziek als van een 'te hoog niveau' ervaarde.

[bewerk] Eigen orkest

In 1943 sloeg hij de klassieke weg in met Suite para Cuerdas y Arpas en in '1944 hij ging weg bij Troilo’s orkest om een orkest te gaan leiden waar Francisco Fiorentino bij zat. Hij speelde twee jaar samen met Fiorentino en vormde daarna zijn eerste eigen orkest, dat na nog geen drie jaar uiteenviel. Met dit orkest volgde hij zijn creatieve impulsen en ontwikkelde het orkest met een dynamische en harmonische toets. Deze benadering van de tango door Piazzolla werd moderner, en anders, en veroorzaakte de eerste controversen met de traditionele tangueros.

In 1946 componeerde hij El Desbande, wat Piazzolla beschouwde als zijn eerste officiële tango, en kort daarna begint hij filmmuziek te schrijven.

In 1949 vond hij dat het tijd werd om te stoppen met het orkest en de bandoneon, en hij stopte bijna helemaal met tango. Hij zocht iets anders, een ander doel. Hij ging voort met het bestuderen van Béla Bartók en Igor Stravinsky, hij studeerde orkestdirectie bij Hermann Scherchen, en hij luisterde veel naar jazz. Zijn zoektocht naar een eigen stijl obsedeerde hem, hij verlangde naar iets anders dat niets te maken heeft met tango. Alles werd een rommeltje en Piazzolla besloot om de bandoneon te laten vallen en zich te wijden aan muziekstudie. Hij was toen 28 jaar oud.

[bewerk] Eigen weg

Tussen 1950 en 1954 componeerde hij een serie werken, conceptueel duidelijk anders dan de tango van dat moment, en dat definieerde verder zijn unieke stijl met als resultaat onder andere de volgende muziekstukken; Para lucirse, Tanguango, Prepárense, Contrabajeando, Triunfal , Lo que vendrá.

In 1953 introduceerde hij het werk Buenos Aires (3 symfonische delen) - gecomponeerd in 1951 - voor de Fabien Sevitzky-wedstrijd. Piazzolla won de eerste prijs en zijn werk werd gespeeld in de Law School in Buenos Aires door het symfonisch orkest Radio del Estado met de toevoeging van twee bandoneons gedirigeerd door Sevitzky zelf. Alles liep goed, tot er aan het einde van het concert een vechtpartij uitbreekt. Het publiek was het er niet mee eens dat de waardigheid van de bandoneon werd afgenomen, door in een symfonieorkest te worden ondergebracht.

Eén van de prijzen die Piazzolla met de Fabien Sevitzky-wedstrijd gewonnen heeft, werd een studiebeurs van de Franse regering om in Parijs te studeren (in 1954) bij Nadia Boulanger, die hij beschouwde als de beste muziekdocente ter wereld in die tijd. Bij Boulanger probeerde Piazzolla zijn tangoverleden en zijn bandoneonwerken te verbergen, denkend dat zijn bestemming in de klassieke muziek ligt. Dit misverstand werd vlug de wereld uitgeholpen toen hij zijn hart luchtte bij Boulanger en hij voor haar zijn tango Triunfal voorspeelde. Van haar kreeg hij een mooie aanbeveling; "Ástor, uw klassieke stukken zijn goed geschreven, maar de ware Piazzolla is hier, laat hem nooit achter."

[bewerk] Bandoneon

Na deze periode, volgde Piazzolla de raad van Boulanger op, en keerde terug naar de tango en naar zijn instrument, de bandoneon. Vroeger moest hij kiezen tussen tango of ingewikkelder muziek, vanaf toen combineerde hij deze muziekstijlen gewoon. In Parijs componeerde hij een paar tango’s voor strijkorkest en begon hij bandoneon staande te spelen. (De meeste bandoneonspelers spelen de bandoneon zittende.)

Toen Piazzolla naar Argentinië terugkeerde, zette hij zijn werk met strijkorkesten voort en vormde hij een groep, de Octeto Buenos Aires. Hij combineerde 2 bandoneons, 2 violen, 2 contrabassen, 1 cello en een piano met elkaar, en veroorzaakte daarmee dat zijn werken nu als innovatief beschouwd worden. Hij week af van de klassieke tango, de traditionele bezetting van het orquesta tipica en maakte kamermuziek, muziek zonder een zanger of dansers. Omdat hij hiermee verder ging dan ooit en zich nog meer verwijderde van de traditionele tango, wekte hij de woede van de orthodoxe tangueros, en werd het doelwit van gemene kritiek. Maar Piazzolla was vastberaden, en liet zich niet vermurwen. De media en de studio's waren eveneens vastberaden en er ontbrandde een escalerende koude oorlog. In 1958 verliet hij zijn Octeto en gaat terug naar New York.

Tussen 1958 en 1960 werkte hij in de Verenigde Staten, waar hij experimenteerde met Jazz-Tango, wat helaas alleen maar negatieve reacties opleverde. Wel schreef hij daar in 1959 zijn beroemde werk Adiós Nonino ter nagedachtenis aan zijn overleden vader. Toen hij in rouw terugkeerde naar Argentinië, maakte hij de eerste van zijn beroemde kwintetten, die door New Tango werd gespeeld (met een bezetting van bandoneon, viool, contrabas, piano, en elektrische gitaar). Met dit kwintet kon Piazzolla het best zijn gevoelens van dat moment uitdrukken.

In 1963 speelde hij Tres tangos sinfonicos, voor het eerst gedirigeerd door Paul Klecky. In 1965 maakte hij twee van zijn belangrijkste opnames, Piazzolla at the Philharmonic Hall New York en El Tango, gemaakt ter ere van zijn vriendschap met Jorge Luis Borges.

In 1966 ging Piazzolla weg bij Dede Wolff. In 1968 begon hij samen te werken met de dichter Horacio Ferrer, met wie hij de Operita Maria de Buenos Aires componeerde. Daarmee vond hij een nieuwe stijl uit, het tango-lied. Rond die tijd ging hij ook in zee met Amelita Baltar.

In 1968 beleefde zijn 'operaatje' Maria de Buenos Aires de première en voordat het jaar voorbij was, werd deze inmiddels zo'n 120 keer opgevoerd en uitgebracht op langspeelplaat.

In 1969 componeerde hij met Horacio Ferrer Balada para un loco, voorgedragen op het First Iberoamerican Music Festival, waar hij een tweede plaats bemachtigde. Dit werk zou zijn eerste hit worden.

In 1970 keerde hij terug naar Parijs waar hij met Ferrer El Pueblo Joven componeerde. In hetzelfde jaar vormde hij de groep Conjunto 9, waarmee hij voornamelijk in Buenos Aires en in Italië optrad. Deze groep was Piazzolla’s droom. Deze kamermuziekgroep wilde Piazzolla altijd al om zijn gecompliceerde muziek mee uit te voeren. Helaas werd de groep gedoemd tot uiteenvallen om economische redenen.

[bewerk] Conjunto Electrónico

In 1972 speelde Piazzolla voor het eerst in het Teatro Colon in Buenos Aires. In 1973, na een periode waarin hij uitzonderlijk veel werken had geschreven, kreeg hij een hartaanval waardoor hij het wat rustiger aan moest doen.

In hetzelfde jaar (1973) besloot hij om te verhuizen naar Italië, waar hij een serie opnames maakte gedurende vijf jaar. De bekendste werd wellicht Libertango, een werk dat ook in Europa beroemd is geworden.

In deze jaren vormde Piazzolla de groep Conjunto Electrónico, een octet dat bestond uit een bandoneón, elektrische piano en/of akoestische piano, orgel, gitaar, elektrische basgitaar, drums, synthesizer en een viool. Deze groep had niets te maken met de vorige groepen, en velen vonden dat het meer jazz-rock speelt, dan tango, maar Piazzolla zei dat het zijn muziek was, en dat het meer verwant was met de tango dan met jazz-rock.

In 1974 ging Piazzolla weg van Amelita Baltar. Hetzelfde jaar nam hij een prachtige opname op met Gerry Mulligan en een Italiaans orkest, namelijk Summit. Aníbal Troilo stierf in 1975 en Piazzolla maakte in zijn nagedachtenis Suite Troileana , een 4-delig werk. Hij nam het op met Conjuncto Electronico.

In 1976 ontmoette hij zijn laatste vrouw: Laura Escalada. In december van datzelfde jaar speelde hij een uitzonderlijk concert: 500 motivaciones , speciaal geschreven voor Conjunto Electronico. In 1977 speelde Piazzolla alweer een gedenkwaardig concert in de Olympia in Parijs, met dezelfde bezetting als voordien, maar met muzikanten die dichter bij rock-muziek stonden. Dit werd de laatste keer dat hij een elektrische groep had. Hij verliet deze stijl. Het werd niet omdat Piazzolla vond dat Conjunto Electronico geen goede muziek maakt, maar hij dacht dat de echte Piazzolla daar niet floreert. In 1978 kwam Piazzolla terug tot zijn kwintet en wijdde zich opnieuw aan kamermuziek en symonische werken.

[bewerk] Wereldberoemd

De volgende tien jaar waren de beste wat Piazzolla’s populariteit betreft. Hij ging over de hele wereld spelen: Europa, Zuid-Amerika, Japan en de Verenigde Staten. Tot 1990 werkte hij uitsluitend met zijn kwintet, en daarna werkte hij met een sextet, zijn laatste gezelschap. Er zijn veel live opnames van de concerten uit die periode, voornamelijk op cd.

In 1982 schreef hij Le Grand Tango voor cello en piano, opgedragen aan de Rus Mstislav Rostropovitsj, een van de bekendste cellisten van zijn tijd, en voor het eerst door hem uitgevoerd in 1990 in New Orleans. In juni van het jaar 1983 begon hij met één van zijn beste programma's van zijn leven. Hij speelde een programma gewijd aan zijn eigen muziek in het Teatro Colon in Buenos Aires, het walhalla van de klassieke muziek in Argentinië. Voor de gelegenheid herschikte hij de groep Conjunto 9 en speelde solo met een symfonisch orkest gedirigeerd door Pedro I. Calderon.

In 1984 speelde hij met de zangeres Milva in de Bouffes du Nord te Parijs en in Wenen met het 'Quinteto Tango Nuevo' waar hij het live-album “Live in Wien” opnam. Hij speelde in Berlijn en in het theater Vredenburg in Utrecht, waar VPRO-regisseur Theo Uittenbogaard opnamen maakte en hem -tot zijn grote genoegen- laat spelen tegen de achtergrond van de extreem uitvergrote, 'live' projectie van zijn bandoneon. In 1985 werd hij benoemd tot buitengewone burger van Buenos Aires en speelde het concert voor bandoneón en gitaar, Homenaje a Lieja, gedirigeerd door Leo Brouwer in het vijfde Belgische Internationale Gitaar Festival.

[bewerk] César

In 1986 ontving hij een Cesar-prijs voor de filmmuziek bij El exilio de Gardel en met Gary Burton nam hij Suite for Vibraphone and The New Tango Quintet, live in het Jazz Festival in Montreux, Zwitserland. In 1987 nam hij met het St. Luke’s orkest gedirigeerd door Lalo Schifrin, het Concert for Bandoneon en Three Tangos voor bandoneon en orkest op.

Het concert dat plaatsvond in 1987 in New York’s Central Park voor een enorm publiek is een verjongende ervaring voor Piazzolla. De stad waar hij zijn kindertijd doorbracht, waar hij in de ban raakte van Bach en jazz, en waar hij faalde in 1958, had eindelijk aandacht voor zijn muziek. De opnamen, uitgebracht in de V.S. in de late 80’s, representeerden zijn levensloop, waaronder:Tango Zero Hour, Tango Apasionado, La Camorra, Five tango Sensations.

[bewerk] Laatste opname en laatste concert

In 1988, enkele maanden na het opnemen van wat zijn laatste opname met het kwintet (La Camorra) zijn zou, onderging Piazzolla een viervoudige bypass-operatie. Spoedig daarna, vroeg in 1989, vormde hij zijn laatste groep: het Nieuwe Tango Sextet dat bestond uit twee bandoneons, piano, elektrische gitaar, bas en cello. Met deze groep in juni van 1989 speelde hij in de Teatro Opera te Buenos Aires wat zijn laatste concert in Argentinië zou zijn en begon daarna een uitgebreide tour door de V.S., Engeland, Duitsland en Nederland.

Tegen het einde van 1989 verliet Piazzolla zijn groep en ging solo spelen met strijkkwartetten en symfonische orkesten. Tot 4 augustus 1990 in Parijs, waar hij een beroerte kreeg. Na bijna twee jaar lijden aan de gevolgen van dit insult, stierf hij op 71-jarige leeftijd in Buenos Aires op 4 juli 1992.

[bewerk] Invloed

Zijn opus, meer dan 1000 werken omvattend, een karakteristieke carrière en een ongetwijfeld Argentijnse smaak, beïnvloedt nog steeds muzikanten in de wereld van alle generaties. Bijvoorbeeld de violist Gidon Kremer, de cellist Yo-Yo Ma, het Kronos Kwartet, de pianisten Emanuel Ax en Arthur Moreira Lima, de gitarist Al Di Meola, de bandeonist Carel Kraayenhof, de broers Assad en talrijke kamermuziek- en symfonische orkesten. Een carrière, die gekarakteriseerd werd door zijn esthetisch talent en zijn unieke stijl.

[bewerk] Bekendste werken

  • Buenos Aires
  • Adios nonino
  • Balada para un loco
  • Libertango
  • Le Grand Tango
  • Oblivion

[bewerk] Werken voor banda (harmonieorkest)

  • Cuatro Estaciones Portenas
  • Libertango
  • Tango Nro. 1
  • Verano porteño

[bewerk] Externe link

 

pianobeton makroekonomii koszulki Kursy walut Bezsenność pax Urządzenia gastronomiczne Canon G9 Najlepsze Fundusze inwestycyjn tanie przeprowadzki w wawie Sieci strukturalne implanty Szczecin Blachodachówka Pogoń Szczecin lodówki electrolux kick koparki Bułgaria wczasy Karaoke tani kredyt hipoteczny COOLsurf